Central

API en MCP

Je eigen software met je gegevens laten werken, of een AI-assistent koppelen.

De API en MCP zitten in het abonnement Professional.

Er zijn twee manieren om andere software met Central te laten werken:

  • De API: voor je eigen software of een koppeling die een ontwikkelaar bouwt, zoals cases aanmaken vanuit je website of een boekhoudpakket.
  • MCP: voor AI-assistenten zoals Claude of ChatGPT. Die kunnen dan je cases en taken lezen en bijwerken als je dat vraagt.

Een AI-assistent koppelen (MCP)

  1. Ga naar Instellingen > API & MCP en kopieer het MCP-adres.
  2. Voeg het adres toe als connector in je AI-assistent.
  3. De assistent vraagt je in te loggen bij Central en toegang te geven. Lees wat de app mag en niet mag, en klik op Toegang geven.

Wat een assistent kan:

  • cases, taken, notities, relaties en contactpersonen lezen;
  • cases, taken en notities aanmaken en wijzigen.

Wat een assistent niet kan: verwijderen, samenvoegen, instellingen of leden wijzigen, of e-mail naar klanten sturen.

De koppeling werkt met jouw rechten. Wat jij niet mag zien, ziet de assistent ook niet. Toegang intrekken doe je bij Profiel > Verbonden apps, zie Outlook-agenda en verbonden apps.

Een API-sleutel maken

Een sleutel maak je als Eigenaar of Admin.

  1. Ga naar Instellingen > API & MCP en klik op Nieuwe sleutel.
  2. Geef de sleutel een Naam die zegt waarvoor ze dient, zoals Website-formulier.
  3. Kies de Geldigheid: nooit verlopen, of na 30 dagen, 90 dagen of een jaar.
  4. Kies de Rechten: wat de sleutel mag lezen en schrijven. Geef niet meer dan nodig.
  5. Kopieer de sleutel meteen. Je ziet ze maar één keer. Kwijt? Maak een nieuwe en trek de oude in.
Het tabblad API & MCP met de lijst van sleutels en het MCP-adres

Een sleutel werkt met de rechten van wie ze maakte

Een sleutel kan nooit meer dan de collega die ze aanmaakte. Krijgt die persoon minder rechten, of verlaat hij de organisatie, dan werkt de sleutel ook met minder rechten. Maak sleutels voor vaste koppelingen dus aan met een account dat blijft.

Een sleutel die niet meer nodig is, trek je in met Intrekken.

Voor ontwikkelaars

De volledige referentie, met elke endpoint en elk veld, staat op de API-documentatie. Daar vind je ook de OpenAPI-specificatie om een client mee te genereren.

Een paar dingen die je vooraf wilt weten:

Authenticatie. Stuur de sleutel mee als Authorization: Bearer <sleutel> of als x-api-key: <sleutel>. Begin met GET /api/v1/me: dat toont de organisatie, het abonnement en de rechten die je sleutel echt heeft.

Een korte lijst zonder foutmelding. Staat bij de organisatie Leden zien alleen eigen cases en taken aan, dan ziet een sleutel zonder het recht ticket:readAll alleen de cases van de collega die ze aanmaakte. restrictedToOwnCases in GET /api/v1/me vertelt of dat zo is.

Namen in plaats van ids. Bij het schrijven mag je een status, prioriteit of type meegeven zoals een mens het ziet, zoals "status": "In afwachting". GET /api/v1/vocabulary geeft alle geldige waarden in één keer.

Pagineren. Elke lijst werkt met een cursor: stuur nextCursor terug als cursor tot die null is.

Veilig opnieuw proberen. Stuur een Idempotency-Key mee bij een POST. Probeer je opnieuw na een time-out, dan wordt niets dubbel aangemaakt.

Importeren zonder meldingen. Wijs je bij een import duizenden cases toe, stuur dan "notify": false mee. Anders krijgt de behandelaar voor elke case een melding en een mail.

Op deze pagina